Edward Sard en de opkomst van de Permanente Oorlogseconomie

7 maart 2025

Marcel van der Linden

English version here

De oorlogsindustrie is een permanent element van het VS kapitalisme geworden, waarmee enorme overheidssubsidies naar particuliere ondernemingen worden doorgesluisd. De eerste schrijver die deze Permanente Oorlogseconomie analyseerde was Edward Sard, een brilliante marxistische econoom in de jaren 1940.

De theorie van de “Permanente Oorlogseconomie” heeft een belangrijke rol gespeeld in de debatten van radicaal links vanaf het eind van de jaren veertig. Verschillende generaties radicale intellectuelen hebben het argument ontwikkeld dat de heersende klasse in de VS de wapenproductie heeft gebruikt om de onevenwichtigheden en crisistendensen van het kapitalisme te compenseren, waarbij ze een enorm militair-industrieel complex heeft opgebouwd, zoals Dwight Eisenhower het noemde, dat een eigen leven is gaan leiden.

De grondlegger van deze theorie was Edward L. Sard. Sard was een briljante marxistische econoom die tijdens de Tweede Wereldoorlog voor de Amerikaanse overheid werkte en op de eerste rij zat bij de ontwikkeling van de oorlogsindustrie.

Sard wilde onzichtbaar blijven voor een breder publiek en opereerde als schrijver onder vijf verschillende namen. Dit verklaart ongetwijfeld waarom hij een relatief obscure figuur is gebleven, ondanks de invloed van zijn ideeën. Zijn opeenvolgende pseudoniemen brengen zijn ontwikkeling in kaart.

Frank L. Demby

Edward Sard werd in 1913 in Brooklyn geboren als Edward Solomon, als zoon van Charles Solomon en Augustina Hess Solomon, twee afgestudeerden die op middelbare scholen in New York City werkten. Tina Solomon was een feministe die een club van vrouwelijke studenten oprichtte tijdens haar studententijd aan Barnard College. Het was vooral door haar invloed dat Edward en zijn jongere broer Eugene (geboren in 1923 en vernoemd naar de socialistische voorman Eugene Debs) een linkse opvoeding kregen.

Edward was een uitstekende leerling en schaakte ook op het hoogste niveau. In 1929 won hij een beurs en werd hij student economie, eerst aan Cornell en daarna aan Columbia. Na het begin van de Grote Depressie voelde Solomon zich aangetrokken tot het revolutionaire socialisme. In 1934 sloot hij zich aan bij een kleine trotskistische groep onder leiding van de voormalige Wall Street-analist Max Gould (alias B.J. Field), die door Leon Trotsky werd gekarakteriseerd als “een bourgeoisradicaal die zich de economische opvattingen van het marxisme eigen heeft gemaakt”.

Solomon werd erg actief. Vanaf januari 1935 publiceerde hij grote artikelen in het tijdschrift Labor Front en gaf hij lezingen over onderwerpen als de Parijse Commune en de opkomst van het fascisme. Voor het eerst gebruikte hij zijn pseudoniem Frank L. Demby.

In 1936 besloot de Workers Party, de grootste trotskistische organisatie in de Verenigde Staten, op advies van Trotsky om lid te worden van de Socialist Party of America (SP). Ze vormden een factie rond de krant Socialist Appeal en werden sterk gesteund door veel leden van de Young People’s Socialist League (YPSL), de jongerenafdeling van de SP. Field wilde echter niet het voorbeeld van de Workers Party volgen.

Zijn beslissing veroorzaakte interne onenigheid. Solomon en Stanley Plastrik leidden de oppositie en werden, te midden van groeiende spanningen, fysiek aangevallen door Field en zijn medewerkers. Na hun royement sloten ze zich onmiddellijk aan bij de Socialist Appeal groep van James P. Cannon en Max Shachtman, waar ze met open armen werden ontvangen.

Edward Sard in 1938

Het “entrisme” in de Socialistische Partij duurde niet lang. In 1937 werden de trotskisten en hun aanhangers geroyeerd en rond de jaarwisseling vormden ze een nieuwe organisatie, de Socialist Workers Party. Tijdens deze verwikkelingen rees Solomon’s ster. De conventie van de YPSL in Philadelphia in september 1937 koos hem als nationaal bestuurder verantwoordelijk voor scholing.

Eerder, in 1936, was Solomon afgestudeerd aan Columbia University met een erudiete MA-scriptie over A History of the Labor Theory of Value. In dit werk beschreef hij de Sovjet-Unie als “nog steeds een arbeidersstaat” en wees hij op het gevaar van fascisme:

Er wordt vaak gedacht dat de kapitalistische klasse haar toevlucht tot het fascisme alleen neemt omdat er een proletarische revolutie dreigt. De ervaring in Oostenrijk bewijst onomstotelijk het tegendeel. De economische noodzaak voor het fascisme is gebaseerd op de daling van de gemiddelde winstvoet tot zo’n laag punt dat het noodzakelijk is om de prijs van arbeid (lonen) te verlagen tot onder zijn waarde. Om dit te doen moeten alle organisaties die helpen om het loonniveau te handhaven (vakbonden, coöperaties, politieke partijen) worden verpletterd. Dit is de eerste daad van elke fascistische regering en toont aan dat, hoewel de dreiging van een proletarische revolutie een secundaire factor kan zijn, het kapitalisme zijn toevlucht niet tot fascisme zal nemen tenzij het economisch gezien moet om de winsten te behouden, zonder welke het kapitalisme ophoudt te bestaan.

Vanaf 1937 voorzag Solomon in zijn levensonderhoud als leraar aan de Abraham Lincoln High School in Brooklyn. Tegelijkertijd probeerde hij te werken aan een proefschrift, maar zijn vele politieke activiteiten maakten het onmogelijk om dit plan te verwezenlijken.

Tijdens de zomermaanden reisde Solomon regelmatig naar Europa. In 1936 ontmoette hij Trotsky in Noorwegen, en hij bleef daarna corresponderen met “de Oude Man”. Op zijn reizen bezocht hij Trotskistische zusterorganisaties. In 1937 ging hij naar Zwitserland en hielp hij ook bij het coördineren van de productie van de Engelstalige editie van het International Bulletin in Parijs.

Het jaar daarop ging Solomon weer naar Europa. Samen met zijn leeftijdgenoot Nathan Gould assisteerde hij SWP-leider James P. Cannon, die op aandringen van Trotsky probeerde verschillende Britse trotskistische groepen te verenigen met figuren als C. L. R. James en Harry Wicks. Daarna reisden Cannon en Gould naar Parijs voor de oprichting van de Vierde Internationale in september.

Solomon bleef ook in Europa maar nam blijkbaar niet deel aan de Parijse bijeenkomst. Hij bezocht Trotskistische kameraden in Frankrijk, Tsjecho-Slowakije, België en Nederland en stelde een rapport op. In de Socialist Workers Party bekleedde hij verschillende belangrijke posities. Maar de aanhangers van Shachtman verlieten de SWP in 1940 en richtten een nieuwe organisatie op, de Workers Party. Zij beschouwden de USSR niet langer als een gedegenereerde arbeidersstaat, zoals Trotsky zelf deed, maar zagen het eerder als een vorm van bureaucratisch collectivisme. Solomon volgde Shachtman en werd hoofd van de financiële afdeling van de nieuwe organisatie.

In 1940 of 1941 veranderden Edward en Eugene Solomon allebei hun achternaam in Sard. Eugene wilde aan het Massachusetts Institute of Technology studeren, hoewel het antisemitische bestuur van dit instituut het aantal Joodse studenten wilde beperken. Om door de selectieprocedure te komen, moest hij een niet-joodse achternaam aannemen. Zijn broer hielp hem en ze besloten zichzelf Sard te noemen, in navolging van andere familieleden die deze verandering al hadden doorgevoerd.

Nadat de Verenigde Staten zich hadden aangesloten bij de oorlog tegen Japan en Duitsland, nam Sard een baan aan bij de federale overheid en verhuisde hij met zijn vrouw en hun eerste kind, geboren in 1941, naar Washington. Van december 1942 tot augustus 1943 was hij werkzaam bij het Office of Price Administration. Daarna werkte hij voor de War Production Board, waar hij van augustus 1943 tot oktober 1944 redacteur was van de Statistics of War Production – een functie die hem, zoals hij zich later herinnerde, toegang gaf tot “vertrouwelijke gegevens met betrekking tot alle fasen van het oorlogsproductieprogramma voor gebruik door 300 topbeleidsmakers van de regering”.

Daarna werd hij gepromoveerd tot hoofd van het Office of Component Reports, waardoor hij verantwoordelijk werd voor de “ontwikkeling van schattingen van leveringsbehoeften voor kritieke componenten voor gebruik door [het] Requirements Committee en beleidsvormende niveaus van WPB [War Production Board] en OWMR [Other War Material Requirements]”. Hij vervulde deze rol van november 1944 tot september 1945. Door deze activiteiten kreeg Sard een grondig inzicht in de Amerikaanse oorlogseconomie.

Tijdens zijn “Demby-periode” schreef Solomon/Sard vaak voor het weekblad Labor Action van Shachtman’s Workers Party. Zijn korte artikelen waren gebaseerd op een gedegen kennis van de feiten en schrokken niet terug voor statistische analyses. In 1940 stelde hij dat “de VS, in navolging van Europa, is overgegaan op een bewapeningseconomie” en dat “Wall Street zich terdege bewust is van het feit dat de ‘welvaart’ in dit land gebaseerd is op de oorlog en de voortzetting van de oorlog.”

Voor Sard was de vliegtuigbouw hard op weg om de “sleutelindustrie van de oorlog” te worden; de expansie was “absoluut fenomenaal, meer dan in enige andere industrie in de geschiedenis van het Amerikaanse kapitalisme”. Hij wees erop dat de bedrijfswinsten stegen, maar dat de koopkracht van de bevolking was gedaald omdat de reële lonen door de inflatie waren gedaald. De oorlogseconomie ging samen met een stijgende winstvoet en een stijgende meerwaardevoet.

Dit alles veranderde volgens Sard het aanzien van het Amerikaanse kapitalisme:

Bijna 70 procent van het fiscale budget voor 1942 gaat naar oorlogsvoorbereidingen. . . . De Verenigde Staten zijn echt begonnen aan een lange periode van oorlogseconomie. Vertegenwoordigers van de regering en de pers hebben ons de afgelopen maanden voorgeschoteld wat dit zal betekenen voor de werkende bevolking van het land – zondagen zonder benzine, vermindering van het gebruik van elektriciteit in huis, geen aluminium potten en pannen meer, enz. Maar het betekent veel meer dan een paar ongemakken in onze normale consumptiegewoonten. De last van de oorlogseconomie zal worden afgewenteld op de ruggen van degenen die zwoegen en zweten om in hun levensonderhoud te voorzien – dat is de echte betekenis van dit oorlogsbudget.

De grote bedrijven haalden steeds meer extra kapitaal uit hun eigen geaccumuleerde reserves van overtollig kapitaal en onverdeelde winst. Vaak werd een groot deel van de winst niet uitgekeerd aan de aandeelhouders, maar opzij gezet zodat het management en de raad van bestuur ermee konden doen wat ze wilden.

Dit veranderde de structuur van de kapitalistische klasse. Zelffinanciering betekende “de verdere concentratie van de controle over enorme ondernemingen in steeds minder handen” en een groeiend economisch conservatisme van het management: “Het tijdperk van vrij, concurrerend kapitalisme is voorbij. Het is niet alleen stervende. Het is dood. Het kan niet herrijzen, hoeveel vrome verklaringen de heren Roosevelt en Churchill ook afleggen.” De winstgevendheid van de oorlogseconomie maakte Sard duidelijk dat het behoud van winst niet noodzakelijkerwijs tot fascisme hoeft te leiden, zoals hij ooit in zijn MA-scriptie had beweerd.

Walter J. Oakes

Bij mijn weten verscheen het concept van de Permanente Oorlogseconomie voor het eerst in een resolutie die op 5 september 1941 werd aangenomen door het Politiek Comité van de Workers Party – dat wil zeggen ongeveer drie maanden voordat de Verenigde Staten officieel gingen deelnemen aan de Tweede Wereldoorlog. De resolutie besteedde veel aandacht aan economische aspecten en lijkt deels het stempel van Edward Sard te dragen. De tekst wees erop dat de Verenigde Staten, zonder Duitsland de oorlog te hebben verklaard, al het “arsenaal en de voorraadkast” van Groot-Brittannië en de andere westerse bondgenoten waren geworden. In navolging van Nazi-Duitsland dwong het Amerikaanse kapitalisme mensen om geweren voor boter in de plaats te zetten:

De productie van consumptiegoederen wordt systematisch verminderd ten gunste van de productie van vernietigingsmiddelen. Zelfs daar waar de oorlogsboom de nominale koopkracht van de massa’s, of delen daarvan, heeft verhoogd, grijpt de regering in,  net als in Duitsland, om de aankoop van consumptiegoederen te beperken of te verbieden (beperkingen op kopen op afbetaling, enzovoort) en om verplichte “besparingen” af te dwingen, dat wil zeggen om de levensstandaard van de massa’s effectief te verlagen door een deel van hun inkomsten over te hevelen naar de astronomische oorlogsbudgetten van de regering. De verwoede pogingen om met deze en andere middelen inflatie te voorkomen kunnen hoogstens de inflatie uitstellen, maar zullen uiteindelijk leiden tot een inflatie van monsterlijke proporties. Als de bourgeoisie zo’n inflatie zou willen voorkomen, dan zou dat alleen kunnen als er een permanente oorlogseconomie komt of als een fascistisch regime in dit land zijn “gereguleerde economie” oplegt.

Voor het kapitalisme was de permanente oorlogseconomie een alternatief geworden voor het fascisme. In beide gevallen zouden de massa’s lijden onder een gewelddadige verlaging van de levensstandaard.

Tijdens de oorlogsjaren werkte Sard deze analyse verder uit. Hij deed dit in relatieve afzondering, omdat hij enigszins vervreemd raakte van de Workers Party. Drie elementen speelden daarbij waarschijnlijk een rol. De Workers Party bestond niet in Washington. De grote meerderheid van haar leden woonde in en rond New York en Sard en zijn vrouw stonden er politiek vrijwel alleen voor.

Ten tweede moest Sard zich als ambtenaar onthouden van politiek activisme. Ten slotte kwam Sard’s analyse van de kapitalistische ontwikkeling niet overeen met de visie van de Workers Party; zijn hypothese dat het kapitalisme tijdelijk kon herleven door middel van een oorlogseconomie leek in tegenspraak met de stelling van Vladimir Lenin, Leon Trotsky en anderen dat het kapitalisme sinds de Eerste Wereldoorlog in een doodsstrijd verkeerde.

Sard ging ervan uit dat onmiddellijk na het einde van de Tweede Wereldoorlog de voorbereidingen voor de Derde Wereldoorlog zouden beginnen.

In deze context verscheen Sards beroemde artikel “Toward a Permanent War Economy?” in het eerste nummer van Politics (februari 1944), uitgegeven door Dwight en Nancy Macdonald. Dwight Macdonald had de Workers Party in 1941 verlaten en Sard’s keuze voor het tijdschrift van een ex-Trotskist lijkt zijn politieke afstand tot de groep op dat moment te onderstrepen. Het feit dat hij in Politics een nieuw pseudoniem gebruikte (Walter J. Oakes) biedt misschien ondersteuning voor deze bewering.

In zijn artikel ging Sard ervan uit dat onmiddellijk na het einde van de Tweede Wereldoorlog de voorbereidingen voor de Derde Wereldoorlog zouden beginnen. “De Derde Wereldoorlog is niet alleen een duidelijke mogelijkheid, hij is onvermijdelijk zolang de sociale structuur van de wereld er een van kapitalistisch imperialisme blijft.” Senaatswetsvoorstel 1582 van december 1943 toonde aan dat de heersende kringen van de Verenigde Staten anticipeerden op een nieuwe “totale oorlog van drie jaar, of een gelijkwaardige noodsituatie”. Het verklaarde doel van het wetsvoorstel was om “een toereikende aanvoer van strategische en kritieke mineralen voor een toekomstige noodsituatie te verzekeren door in de naoorlogse periode alle voorraden die de huidige oorlog overleefden en die in het bezit zijn van regeringsinstanties intact te houden en door noodzakelijke aanvullingen hoofdzakelijk uit binnenlandse bronnen.”

Het resultaat zou een permanente oorlogseconomie zijn, die Sard in de volgende termen definieerde:

Er is sprake van een oorlogseconomie wanneer de overheidsuitgaven voor oorlog (of “nationale defensie”) een legitiem en significant einddoel van economische activiteit worden. De mate van oorlogsuitgaven die nodig zijn voordat dergelijke activiteiten significant worden, varieert uiteraard met de omvang en samenstelling van het nationaal inkomen en de voorraad geaccumuleerd kapitaal. Toch is het probleem theoretisch te analyseren en statistisch te meten.

Volgens Sard vertegenwoordigde de permanente oorlogseconomie een nieuwe fase in de kapitalistische ontwikkeling. Voorheen waren de economische activiteiten in vredestijd voornamelijk gericht op de productie van consumptiegoederen en kapitaalgoederen die gebruikt konden worden om consumptiegoederen te produceren. Voortaan zouden uitgebreide oorlogsuitgaven in vredestijd normaal zijn.

Sard schatte dat de Verenigde Staten een permanente oorlogseconomie zouden bereiken door jaarlijkse oorlogsuitgaven van tussen de 10 en 20 miljard dollar. Dit zou het innerlijk functioneren van het Amerikaanse kapitalisme ingrijpend veranderen:

[Oorlogs-]uitgaven bereiken hetzelfde doel als openbare werken, maar op een manier die veel effectiever en acceptabeler is (vanuit kapitalistisch oogpunt). . . . Oorlogsuitgaven zijn in feite het moderne substituut voor piramides geworden. Ze concurreren niet met de privé-industrie en maken het gemakkelijk om iedereen in dienst te nemen die nodig wordt geacht. Het is waar dat dit soort consumptie van overtollige arbeid (verspilling) een reeks moeilijke politieke en economische problemen met zich meebrengt. Deze lijken echter oplosbaar; in ieder geval kunnen ze worden uitgesteld. De zondvloed kan komen, maar de volgende generatie, niet de huidige, zal ermee te maken krijgen.

De op- en neergaande conjunctuurcycli zouden verdwijnen. Door de groeiende staatsinterventie zou kapitaalaccumulatie niet langer gepaard gaan met een groeiend industrieel reserveleger, zoals Karl Marx had gedacht:

Als de permanente oorlogseconomie erin slaagt om de economie op een hoog niveau te stabiliseren, zal de werkloosheid verdwijnen, maar alleen door werkgelegenheid in sectoren die economisch onproductief zijn. Dus kapitalistische accumulatie zal, in plaats van een toename van de werkloosheid teweeg te brengen, als belangrijkste gevolg een afname van de levensstandaard hebben.

De daling van de gemiddelde levensstandaard van de arbeiders zou in eerste instantie relatief zijn, maar zou al snel absoluut worden, “vooral op wereldschaal als alle naties hun interne economieën aanpassen aan de eisen van de nieuwe orde die gebaseerd is op een internationale permanente oorlogseconomie.”

Sard zag de Permanente Oorlogseconomie als een kapitalistisch alternatief voor het fascisme: de heersende klasse zou liever “de komst van het fascisme zo lang mogelijk afwenden”. Maar hij meende dat het slechts een tijdelijke uitweg voor de bourgeoisie kon zijn: “Ik geloof niet dat de permanente oorlogseconomie een blijvende oplossing voor het kapitalisme zal bieden. Maar het kan werken voor de periode in kwestie.”

Aanzienlijke belastingverhogingen zouden onvermijdelijk worden en dit zou leiden tot een intensivering van “politieke en klassenconflicten”. Voor het geval dit tot explosieve situaties zou leiden, zou de last van de bewapening ook op de arbeidersklasse kunnen worden afgewenteld door middel van opzettelijke en ongecontroleerde inflatie. Dat zou echter impliceren “dat het beslissende deel van de heersende klasse vastbesloten is om zo snel mogelijk fascisme te vestigen. Ik zie echter geen bewijs dat deze overtuiging rechtvaardigt, hoewel er natuurlijk veel overeenkomsten zijn tussen fascisme en de permanente oorlogseconomie.”

Sard achtte het “waarschijnlijker dat het inflatoire vervolg een kanshebber is voor een eerste plaats op de agenda na de Derde Wereldoorlog dan in de periode na de Tweede Wereldoorlog”. Alleen de arbeidersbeweging was volgens hem in staat om zo’n catastrofale uitkomst te voorkomen. Daarvoor hadden de Verenigde Staten absoluut een “arbeiderspartij nodig, onafhankelijk van de kapitalistische politieke machines en gebaseerd op vakbondsleden”.

Met zijn analyse verzette Sard zich niet alleen tegen de Keynesianen, maar ook tegen die marxisten die er nog steeds van uitgingen dat het historische alternatief lag tussen proletarische revolutie of fascisme. Het argument van Sard stuitte op dovemansoren bij zijn kameraden van de Workers Party, omdat de Shachtman-aanhangers bleven geloven in de voortdurende neergang van het Amerikaanse kapitalisme.

T. N. Vance

De eerste vijf naoorlogse jaren waren een periode van onzekerheid voor Sard en zijn vrouw Dorothy. De druk van een nieuw gezin, met een tweede kind geboren in 1947, droeg hieraan bij. De arbeidssituatie van Sard was er een van voortdurende verandering, met een reeks functies die elkaar snel opvolgden tussen 1945 en 1950. In 1951 werd hij uiteindelijk directeur van de National Association of House-to-House Installment Companies, Inc, later omgedoopt tot National Association of Installment Companies. Hij bekleedde deze functie tot zijn pensioen in 1984.

Na een onderbreking van vijf jaar begon Sard weer te publiceren, dit keer onder een derde pseudoniem: T. N. Vance. Zijn uitlaatklep was weer de New International, het tijdschrift van de International Socialist League (ISL), die sinds 1949 de opvolger was van de Workers Party. Sard was nog steeds een sympathisant, geen lid, van deze stroming. De ISL was inmiddels het idee van een permanente oorlogseconomie gaan waarderen en het tot een essentieel onderdeel van haar programma gemaakt.

In een lange reeks artikelen werkte Sard zijn theorie uit. In een eerste bijdrage getiteld “Na Korea – Wat dan?“, beschreef hij de wapenwedloop na de Tweede Wereldoorlog. Sinds 1945 stonden twee verschillende soorten imperialisme tegenover elkaar. Aan de Russische kant was er het “Bureaucratisch Collectivisme”, met genationaliseerd eigendom, slavernij en horigheid – in wezen een “import”-imperialisme, “gebaseerd op de economische noodzaak om voortdurend nieuwe bronnen van arbeidskracht te verwerven, zowel geschoolde als slaafse, en om de voorraad van productie- en consumptiegoederen aan te vullen.”

Aan de Amerikaanse kant stond een agressief kapitalisme, “een ‘export’-imperialisme, onverbiddelijk gedreven door de snelste accumulatie van kapitaal in de geschiedenis van het kapitalisme om kapitaal in al zijn vormen in steeds grotere hoeveelheden te exporteren”. Dit antagonisme zou niet onmiddellijk leiden tot de Derde Wereldoorlog, maar het was wel de oorzaak van een wereldsituatie die gekarakteriseerd kon worden als “noch vrede noch oorlog”. In de Verenigde Staten had “de fenomenale expansie van de productiekrachten tijdens de Tweede Wereldoorlog” zich na 1945 voortgezet – een ontwikkeling die “niet alleen tegen de verwachtingen van de bourgeoisie inging, maar ook, laten we dat toegeven, onverwacht kwam voor de meeste marxisten.”

In een serie van zes essays onderzocht Sard verder de aard en invloed van de permanente oorlogseconomie. Hij prees en bekritiseerde de “bijdragen” en “fouten” van zijn voorganger Walter J. Oakes, waarbij hij zinnen gebruikte als “we zijn het niet helemaal eens met de conclusie van Oakes”, waarmee hij zijn identiteit verder verhulde. De centrale stelling van Sard bleef het idee dat de kapitalistische productiewijze – “een systeem dat zijn historisch nut allang heeft overleefd” – alleen kon overleven door steeds grotere staatsinterventie.

Hij baseerde zijn werk op uitgebreid statistisch materiaal en onthulde dat niet alleen de directe oorlogsuitgaven permanent omvangrijk waren geworden, maar dat ook de indirecte oorlogsuitgaven (militaire hulp aan andere landen, etc.) sneller waren gegroeid dan de totale productie. Bovendien nam de invloed van de staat op andere gebieden toe, zoals de controle over prijzen, en zorgde het voor “het gewenste evenwicht tussen de oorlogssector en de civiele sector van de economie”. Tegelijkertijd maakte de voortdurende bewapening het mogelijk om de werkloosheid tot een onbeduidend niveau terug te brengen.

De permanente oorlogseconomie als combinatie van welvarende kapitaalaccumulatie en (bijna) volledige werkgelegenheid was echter niet zonder tegenstrijdigheden. Ten eerste wordt tijdens deze hoge fase van het kapitalisme een “nieuwe en fundamentele bewegingswet” zichtbaar, namelijk een daling van de levensstandaard.

Deze daling moest niet in absolute termen worden gemeten: zoals Sard opmerkte, was er een “onbetwistbare en zeer aanzienlijke stijging van de persoonlijke consumptieve bestedingen”. Wat Sard in gedachten had was een relatieve daling van de levensstandaard in vergelijking met de stijging van de totale productie. Alleen voor de laagste lagen van de arbeidersklasse was de levensstandaard absoluut gedaald: “Zij waren nog steeds slechter af dan in 1939.”

Ten tweede zorgde de toenemende staatsinterventie voor een aanzienlijke groei van de staatsbureaucratie. De omvang van de federale civiele bureaucratie was verdrievoudigd van 571.000 in 1939 tot naar schatting 1.568.000 in 1950, terwijl de militaire bureaucratie in dezelfde periode was toegenomen van 342.000 tot naar schatting 1.500.000. Bewapening en bureaucratisering impliceerden een toenemende consumptie van meerwaarde door de staat in de vorm van stijgende belastingen. Niet alleen de arbeidersklasse werd op deze manier belast, maar ook de bourgeoisie, en overheidsfinanciering werd daarom “een belangrijke arena van de klassenstrijd”.

Ten derde leverde de permanente oorlogseconomie een winstbonanza van fantastische proporties op. Sard schatte dat de meerwaardevoet groeide van 92 procent in 1939 naar 123 procent in 1950, terwijl de gemiddelde winstvoet voor alle industrie was gestegen van 25,6 procent in 1939, via 33,4 procent in 1944, naar 27,7 procent in 1950.

Ten vierde ontwikkelden zich Bonapartistische tendensen: “Het huwelijk tussen de grote bourgeoisie en de hogere echelons van de militaire bureaucratie was een basiskenmerk van de permanente oorlogseconomie.” In het kielzog daarvan groeide de macht van de politie en greep de staat vaker in bij stakingen en arbeidsconflicten:

Er is natuurlijk nog geen bureaucratisch-militaire dictatuur in Washington, hoewel er mogelijke tendensen in die richting zijn. Gezien het tempo waarin de wereldgeschiedenis zich beweegt, kan het huidige regime ook niet als tijdelijk worden geclassificeerd.

Ten vijfde was er een tendens naar militair-economisch imperialisme. De “bijna onverzadigbare honger” van de permanente oorlogseconomie putte de natuurlijke hulpbronnen (ijzererts, aardolie) in de Verenigde Staten snel uit en maakte het Amerikaanse imperialisme steeds afhankelijker van grondstoffen uit het buitenland.

Uiteindelijk werd de inflatie onophoudelijk en permanent:

Hoe groter de verhouding tussen oorlogsuitgaven en totale productie, hoe groter de mate van inflatie. Er bestaat onder het kapitalisme geen methode waarmee de creatie van koopkracht door verspillende productie (oorlogsproductie) zo gecontroleerd en geabsorbeerd kan worden dat inflatie geëlimineerd wordt.

Al met al had de Permanente Oorlogseconomie het kapitalisme “een tijdelijk respijt gegeven, terwijl elke fase van de klassenstrijd werd verergerd.” Voor Sard was de “historische taak van de arbeidersklasse” om “een einde te maken aan de Permanente Oorlogseconomie zonder de bourgeoisie en de stalinisten toe te staan de Derde Wereldoorlog te ontketenen”.

De artikelenserie over The Permanent War Economy was het magnum opus van Sard. In de jaren daarna bleef hij publiceren in de New International tot de opheffing van de ISL in 1958. Toen de werkloosheid in de Verenigde Staten halverwege de jaren vijftig toenam, kon hij dit gemakkelijk verklaren met een verwijzing naar een tijdelijk dalend percentage van oorlogsuitgaven in die jaren.

Hij had meer moeite om de verbeterde levensstandaard te verklaren. In 1957 gaf Sard toe dat “de gemiddelde levensstandaard van de werkende klasse tegenwoordig hoger is dan, laten we zeggen, twee, drie of vier decennia geleden”. Hij stelde echter dat deze trend gezien moest worden als een onderdeel van “de totale ellende, de slachtoffers van oorlog, zowel in oorlog als in vrede, en de psychologische impact op de behoeftebevrediging in een wereld die leeft onder de constante dreiging van totale vernietiging.” Dit was duidelijk een zwak argument; het legde een kwetsbare kant van zijn theorie bloot.

Helaas werkte Sard zijn ideeën niet verder uit, hoewel hij wel enkele hints gaf over hoe dit misschien gedaan zou kunnen worden. Hij merkte bijvoorbeeld op dat het kapitalisme “zichtbaar, voor onze ogen, zijn nationale kader is ontgroeid en dit omhulsel op de een of andere manier moet openbarsten”. Met deze uitspraak stelde hij impliciet het methodologische nationalisme van zijn eigen theorie ter discussie. Maar dat is een ander onderwerp.

Erfenis

In 1958 trok Sard zich terug uit de politiek. Hij bleef een goede vriend van Max Shachtman, met wie hij een interesse in het kweken van sierplanten deelde, tot de laatste overleed in 1972, hoewel ze het oneens waren over Shachtman’s conservatieve wending vanaf de jaren 1960. Sard werd een prijswinnende kweker van bromelia’s en genoot samen met zijn vrouw van reizen naar Europa en andere delen van de wereld.

Sard’s serie artikelen uit 1951 werd in 1970 als boek gepubliceerd; zijn theorie werd door anderen verder ontwikkeld en lokte tegenargumenten uit. Maar voor de rest van zijn leven hulde Sard zich in de politieke anonimiteit die hij koesterde gedurende zijn jaren van politieke betrokkenheid en schrijven. Zijn theorie van de permanente oorlogseconomie zou daarentegen een blijvende betekenis krijgen.

Dit is een ingekorte versie van een essay dat voor het eerst is gepubliceerd in Critique.

Terug naar overzicht