Lange golven in het kapitalisme?

We willen meer helderheid over de Kondratiev golven, de met een waarschijnlijke regelmaat van elke 45 tot 70 jaar terugkerende periodes waarin de accumulatie van het kapitaal versnelt en vertraagt. Kunnen inzichten in eerdere golven bijdragen aan inzicht in de huidige situatie van het kapitalisme?Contactpersoon: Herman Pieterson

Bob van Gelderen (1891-1940) en Sam de Wolff (1878-1960) zijn de eersten geweest die publiceerden over lange golven in het kapitalisme. Daarom gaan we in een tweetal artikelen in op de bijdrage van deze twee socialistische auteurs. Geen van beiden was academisch opgeleid, allebei hebben ze voortgebouwd op eerder werk van andere marxisten.

Het artikel over Bob van Gelderen is te vinden onder de titel De lange golven in de economie – de bijzondere bijdrage van Bob van Gelderen in 1913

Het artikel over de bijdrage die Sam de Wolff over de lange golven publiceerde in 1921 vind je onder de titel De Wolff in De Socialistische Gids over Prosperiteits- en depressieperioden.

In het vervolg gaan we ook in op bredere en meer actuele vragen. Wat zijn historische wetmatigheden? We kunnen regelmatigheden aantonen. Min of meer logische verbanden die op meer dan één plaats en op meer dan één tijdstip geldig zijn. Toch zitten hier beperkingen aan. De precisie van een historische regelmatigheid kan soms lijken op een natuurlijke wetmatigheid. Maar ze is van een ander karakter. In de allereerste plaats omdat we het bij de menselijke geschiedenis hebben over menselijk handelen dat op zich niet voorspelbaar is. We kunnen wel zien dat in bestaande verhoudingen niet elk willekeurig handelen effect kan hebben. En in bepaalde gegeven omstandigheden is niet willekeurig welk soort handelen mogelijk. Je kunt dan spreken van een waarschijnlijkheid.
Een tweede reden om historische regelmatigheden voorzichtig te benaderen is het aantal keren dat een patroon kan worden geconstateerd. Omdat elk handelen, elke nieuwe ontwikkeling telkens ook de omstandigheden verandert zodat er niet meer sprake is van een vergelijkbare situatie. Maar voor zover er wel sprake is van een vergelijkbare situatie, zal die niet zeer lange tijd voorduren. 

‘Na de oorlog’, ‘voor de val van de Muur’, ‘7 oktober’, we gebruiken allemaal tijdsaanduidingen om periodes aan te geven die onderling verschillen. We kunnen zo snel aanduiden wat er anders is of was. Periodisering heeft nut omdat we er mee vorm geven aan een anders onoverzichtelijke brei aan gebeurtenissen en ervaringen. Toch zijn niet alle periodiseringen van even groot belang.

Welke periodiseringen zijn nu het nuttigst? Het antwoord op die vraag hangt af van het perspectief dat gekozen wordt. Om sociaal-politieke generaties te onderscheiden zou je je kunnen focussen op wat de Duitsers zo mooi Polarerlebnisse noemen. Ervaringen die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of veranderen van het bewustzijn van grote groepen. Voor Nederland is de Tweede Wereldoorlog zo’n gebeurtenis. Ik denk dat de periode rond 1968 voor de boomers zo’n Polarerlebnis geweest is. De val van de muur en het uiteenvallen van de Sovjet Unie kun je ook zo zien. Idem voor Zuid Afrikanen de instorting van het apartheidssysteem en de vrijlating van Nelson Mandela.

Sociaal-economisch gezien bestaan er verschillende periodiseringen. In het project Lange Golven in de Economie kijken we specifiek naar één ervan, omdat we denken dat die inzicht geeft in middellange termijn ontwikkelingen. Maar we moeten tegelijk kijken naar kortere bewegingen (de 7-11 jarige cyclus) en naar langere, zoals in de World Systems Analysis van Immanuel Wallerstein e.a. die onderscheidt maakt in fases waarin de hegemonie van één land als centrum is gevestigd en fases waarin die hegemonie verschuift of aan strijd onderhevig is. We kijken naar de kortere omdat we de lange golf bewegingen pas kunnen opmerken via veranderingen in de kenmerken van de kortere. En we bekijken ook de langere omdat we kunnen vaststellen dat zulke verschuivingen in de hegemonie zich voltrekken in verband met de langere golven, mogelijk het resultaat ervan zijn.

Als we naast een lange golf beweging die tussen de 45 en 70 jaar lijkt te duren ook rekening houden met nog langere periodes waarin telkens sprake is van opkomst hoogtepunt en crisis van een hegemonische macht – eerst Nederland in het handelskapitalisme, dan Engeland tijdens en na de industriële revolutie, gevolgd door de Verenigde Staten vanaf de tijd van de wereldoorlogen, dan is de lange periode waarin we ons nu bevinden beter te begrijpen. Er was na een uitzonderlijke periode van groei tussen 1945 en 1970 eerst een langere fase van stagnatie en moeizame groei. De hernieuwde groei vanaf de jaren 1990 kwam niet echt van de grond en sloeg weer in stagnatie om met de crisis van 2008. Nu zitten we in een meervoudige crisis, waarin ook de crisis van de hegemonie van de VS, van het neoliberale  model en van de herintegratie van Rusland en China in de wereldeconomie een rol spelen. Om de zaak nog wat ingewikkelder te maken, het lijkt er ook op dat de klimaatverandering in een kritische fase is terecht gekomen.

De ontwikkeling van theoriën over de lange golfbeweging is met horten en stoten gegaan. De eerste die een vermoeden had van langere periodes dan de algemeen aanvaarde korte cyclus was de Engelse econoom W. Stanley Jevons, al in 1865. Hij kwam niet tot een verklaring. De Marxist Parvus kwam begin twintigste eeuw met de briljante veronderstelling van een afwisseling van stagnatie en Sturm- und Drangperiodes, maar werkte dit niet uit. Pieter Wiedijk probeerde het begrip van Parvus toe te passen in een artikel in 1908 over de crisis waarbij hij een onderscheid maakte op basis van het optreden van een scherpe crisis dan wel een langdurige depressie. Daarna kwam Van Gelderen in 1913 met een bijzonder goed onderbouwd artikel waarin hij vanaf 1850 een periode van snelle groei, dan een van depressie, en vanaf 1895 opnieuw een periode van enorme groei vaststelde. Maar ook hij ging er later niet op door. Sam de Wolff deed dat wel, maar bracht geen dieper inzicht, wel een verlenging van de beschouwde periode, vanaf 1825, en een verbeterde statistische onderbouwing.

De Rus Kondratiev deed uitvoerig onderzoek en kwam in de jaren 1920 tot inzichten die overeenkwamen met de bevindingen van Van Gelderen. Het leverde een hele discussie in Rusland op die in Europa en Amerika lange tijd niet bekend was. Het was wel de aanleiding voor de vernoeming van deze langere golf bewegingen naar Kondratiev.

Pas veel later, in 1964, heeft Ernest Mandel het thema weer opgepakt, in verband met het ten einde lopen van de periode van uitzonderlijke groei vanaf de Tweede Wereldoorlog. Vele anderen hebben zich er sindsdien mee bezig gehouden.

In het kader van dit project is eerst gewerkt aan het in kaart brengen van de historische gang van de theorievorming. Twee artikelen, over Van Gelderen en De Wolff zijn daar het resultaat van. In het vervolg verschuift de aandacht meer naar de huidige situatie. Heeft Kondratiev ons nog meer te zeggen dan Van Gelderen en De Wolff? Waar staan we nu eigenlijk? Worden de eerdere ideeën over de lange golven bevestigd of juist ontkracht door de meest recente gang van zaken? En hoe verhouden de fases van de World Systems Analysis zich – of juist niet – tot de lange golven?

Als hypotheses willen we het volgende formuleren:

  • We kunnen ontegenzeggelijk tussen 1850 en 1975 een afwisseling van periodes met snellere en tragere groei onderscheiden. De overgangen tussen deze periodes worden gemarkeerd door nader te onderzoeken veranderingen in het globale patroon van accumulatie.
  • Vóór 1850 is er een aanloopfase waarin de kapitalistische productiewijze voor het eerst vorm krijgt en dominant wordt.
  • Vanaf 1975 is er een overgangsfase begonnen waarvan het karakter nog onzeker is. Het patroon van afwisselende periodes van 25-30 jaar lijkt verstoord te zijn.

Deze veronderstellingen zullen nader getoetst moeten worden.

Contactpersoon: Herman Pieterson

Terug naar overzicht